Voedingsallergiën

Voedingsallergieën kunnen ontstaan op verschillende manieren. Daar komt bij dat bepaalde voedingswaren sneller aanleiding geven tot het ontstaan van allergieën. De klachten die gepaard gaan met het eten van een voedingswaar waar men allergisch aan is (allergeen), kunnen tegenstrijdig zijn. De meeste mensen maken opiaten (morfine-achtige stoffen) aan bij het eten van een allergeen zodat ze een kick krijgen en steeds vaker naar dit voedingswaar gaan grijpen.

Daarom zijn patiënten vaak ook zo verbaasd als ze de uitslag krijgen van deze testen. Maar tegelijk krijgen de patiënten last van andere klachten: hoofdpijn, plotse vermoeidheid, opgeblazen buik, lichte misselijkheid, krampen, diarree of onverteerd eten in de stoelgang.

Op termijn onderhoudt een bestaande voedingsallergie allerlei ontstekingsreacties in het lichaam: astma, eczeem, psoriasis, gewricht- en peesontstekingen, maag- en darmontsteking.

Testen

Een nuchtere bloedafname volstaat. In het serum worden de antistoffen bepaald tegen de volgende voedingswaren:

  • die de patiënt dagelijks of meerdere malen per week eet
  • voedingswaren die de patiënt dolgraag heeft
  • voedingswaren waar hij juist een afkeer van heeft
  • standaard worden ook erg allergiserende voedingswaren bepaald, vooral diegenen die vaak verborgen in bereide eetwaren voorkomen: melkproteïnen, eieren, maïs, aardnoten en gluten.

Resultaten

Voedingswaren waar men er veel antistoffen tegen heeft gemaakt, moeten voor een bepaalde periode van minstens 6 maanden totaal vermeden worden. Voedingswaren met licht gestegen antistoffen mag men nog beperkt eten : 1 à 2 keer per week.

Na 6 maanden wordt opnieuw getest. De voedingswaren waarvan de antistoffen genormaliseerd zijn mogen opnieuw gegeten worden, de anderen nog niet. Algemeen wordt een gevarieerde voeding of rotatief dieet aangeraden.